30 - Muziek en beweging
Hoofdstuk 30 - Paragraaf 2
30. Muziek en beweging

30.2 Polariteiten (vervolg)

Toon
zacht-sterk

Ook hier heeft elke blazer en zanger een 'eigen-sterkte'. Vraag je de muzikant een willekeurige toon te zingen op eigen sterkte dan zul je ook hier een bepaald gemiddelde ontdekken.
In de amateur-blazerij is het in het algemeen zo dat men wel goed sterk kan spelen. Vraagt de dirigent om het 2 keer zo zacht te doen dan wordt het vaak onzuiver. Dit is veel en veel moeilijker.

Sterker spelen en/of zingen
vraagt meer fysiek kracht. De uitademingspieren moeten meer arbeid verrichten. Het middenrif heeft een sterkere functie in haar controle over het uitademen. Het diafragma is de antagonist van de uitademingspieren. Zich langzaam verlengend, daarmee excentrisch werkend zorgt het ervoor dat de luchtstroom goed verdeeld wordt over de toon, klank of phrase. De uitslag van de stembanden bij zangers, die beiden spiertjes zijn (Musculi Vocali) is ook groter evenals de uitslag van de beide lipflappen bij blazers.

De controle over het ademkanaal in keel- en mondholte maar ook over de lipspleet is veel groter. Men moet de openingen immers wijd houden, onder een grotere spanning.

Zachter spel of zachtere zang
Bij zachter spel of zachtere zang zijn de drukken veel lager, maar de controle is des te subtieler.
De continue blijvende luchtstroom, die geringer in volume is als bij het sterke spel, moet blijven gehandhaafd. De kanalen waarlangs de lucht passeert zijn echter kleiner, minder ruim in omvang. De ronde positie van de door spieren gevormd holtes moet wel blijven gehandhaafd.

De ademsteun gaat door maar is minder krachtig. De middenriffunctie ook. Het diafragma laat de druk vanuit de buik langzaam toe. Ook in de longen heerst een bepaalde druk, die even hoog is als in de buik en de mond-keelholte. De drukken planten zich voort. De optelsom van de grotere kracht van de buik-en rugspieren samen met de uitdrijvende kracht van de borstkasspieren zorgt voor een continue uitstroom per gelijkblijvende tooneigenschappen. De rol van de middenrif-koepelspier blijft gelijk maar is minder krachtig uiteraard dan bij sterk spel en zang. Bij het blazen zijn bij zacht spel, de kaak- en gezichtsspieren minder gespannen.

Zacht en sterk spel werken op het tempo in, dat weet elke dirigent.

Donker en licht spel
Hier spelen heel andere fysieke (en mentale) elementen een rol. Hier hebben we meer te maken met de verschillende vormen van aanzet.

Voorbeeld van donker spel:
Meestal gebruiken we de tongaanzet van de klinkers d, do, dah, doe, etc. La, lo, loe, zachte Ko, Go etc. In het algemeen minder agressief. De tongpunt is breder en zachter. De luchtstroom-voorstelling (zie projectie eerder) in gedachten is ook breder. De projectie van de luchtkolom en de uitstraling/uitzending van de toon komt niet ver boven of vr de beker uit In tegenstelling tot licht spel. De ademsteun-bewegingen zijn grover van aard, weliswaar direct en 'to the point', maar minder fel als in een staccato/licht spel combinatie. De holtes zijn ronder gevormd. De lippen zachter en de tong ronder. Ook het 'doodlen' uit de jazz past beter in dit genre klankleuren. Snelle legato's, etc.

Voorbeeld van licht spel:
De aanzet van een felle staccato, of in een mars vraagt een energieke felle uitademingbeweging, waarbij de holtes platter worden. De tongbewegingen zijn sneller (terugtrekkend na de aanzet),de embouchure meer gespannen. Korte felle ademsteun bewegingen met een zich sneller relatief ontspannend middenrif zijn aan de orde. Klankvoorstelling ligt meer, fonetisch gezien in richting van de klinkers a, e en i. De medeklinkers t en k worden kort en fel neergezet , door een snelle terugtrekbeweging van de tongpunt, gevolgd door een energieke luchtstroom, die de toon en dus de gewenste golfkruisingen, in stand houden.

Allerhande combinaties gaan we hier niet behandelen maar de verschillen in klankkleur ontstaan door de fysieke mogelijkheden tussen extreem veel spanning en weinig spanning te benutten in allerhande combinaties van klinkers en medeklinkers gevoed door ademsteun. De verschillende muzikale combinaties zijn onuitputtelijk en dus moet de embouchure daarmee gelijke tred houden.


30.2 Polariteiten (vervolg)